Dit artikel is geschreven door één van onze gastbloggers
Kom maar tevoorschijn jongens! Schoorvoetend komen de puppy’s tevoorschijn en steken hun hoofden naar buiten, in navolging van hun ouders. De zon verwarmt hun blonde koppies en ze schudden de schaduw van een naargeestige periode van zich af. De warmte van de zon doet de zorgen om coronabesmettingen langzaam wegsmelten.
Op het Texelse strand kijken we bewonderend naar de hoge golven die op het zand beuken. We nemen een duik in het verkoelende water en voelen hoe de stroom van het getij ons meevoert het water in, ons omduwt. Heerlijk!
De zomervakantie verloopt anders dan een half jaar geleden gepland. Iedereen gaat er weer op uit! Ondanks dat we mensen om ons heen naar Frankrijk en Spanje zien gaan, verruilen wij na enig gemor de Californische stranden voor die van Texel. Met de nodige mondkapjes, handen wassen, formulieren invullen en een gesloten bovendek van de boot, is deze vakantie prima te doen.
De spanning van een wispelturig virus met een onvoorspelbaar en impulsief ziektebeeld verplaatst zich langzaam naar de spelonken van ons geheugen. Af en toe kom ik, naast wat zand, nog een medisch mondkapje tegen in de zak van een jongensbroek. Het verfrommelde ding gaat linea recta de prullenbak in. Ik lees net dat de kinderen straks na de vakantie zonder mondkapje naar school kunnen. De blauwe rubber handschoentjes verdwijnen langzaam uit het straatbeeld. De spanning en angst van ‘Waar gaat dit heen’ heeft ruimte gemaakt voor ‘Hoe lang gaat het nog duren?’. De vergelijkingen van de intelligente lockdown met de beperkingen van de Tweede Wereldoorlog verstommen omgekeerd evenredig met het oplaaien van de discussie over nut en werkzaamheid van de genomen maatregelen. Het overzichtskaartje over het aantal besmettingen per gemeente is van de NOS-app verdwenen en ik ben gewend geraakt aan het cijfer over dagelijkse besmettingen dat me allang niets meer zegt.
Toch vraag ik me af of het gevaar geweken is. Hoe graag wil ik geloven dat het leven weer wordt zoals het was. Dat ik er weer lekker op los kan knuffelen en heerlijk lachen, met wie dan ook. Hoe graag wil ik doen alsof dat allemaal al weer kan.
Maar ben ik zelf niet het grootste gevaar? ‘Het virus verspreidt zich niet, wij verspreiden het virus.’ Wij die vinden dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft en terug willen naar voorheen. De rust is immers weergekeerd.
De wind op het strand waait steeds een punt van de krant over het artikel dat ik lees. Het item over een verpleeghuis met lege kamers die omgebouwd zijn ter voorbereiding op de tweede golf zorgt ervoor dat het naargeestige gevoel van toen even terugkomt. Mijn man, naast me op het strand, heeft zijn krant onder controle en herinnert mij aan de ernst van de mogelijke gevolgen. Corona lijkt misschien weggeëbd, maar wie is er klaar voor de vloedgolf?
Ondertussen worstel ik in de wind met het omslaan van de krantenpagina en lees over de gevaren van een mui; een ogenschijnlijk rustig stukje zee zonder golven, waar de sterke stroming van het water tussen twee zandbanken je kan meesleuren de zee in, waarbij de paniek en het gevecht tegen de stroom in het gevaarlijkst zijn. Ik kijk op van mijn krant naar de jongens die verderop in de zee spelen. De vloedlijn begint zich terug te trekken. Ze zijn best ver in een rustig stukje zee maar ze lijken zich goed te vermaken. Ze zwaaien zelfs naar me. Ik zwaar vrolijk terug. De krant waait weg.
Margaret van de Wetering - Timmerman